4. Theoretisch kader  

In het hoofdstuk 'Beelden en cijfers' staat beschreven dat jongeren op het vmbo minder sporten en bewegen dan andere jongeren. Hoe verander je dat? In de afgelopen decennia is veel onderzoek gedaan naar het stimuleren van sport- en beweeggedrag. Dat blijkt een lastige opgave. In dit hoofdstuk schetsen we hoe men door de tijd heen dacht over mogelijkheden om gedrag te beïnvloeden, zowel specifiek gericht op sport en bewegen als breder gedrag rondom gezondheid. Aan bod komen theorieën over gedragsverandering en de aanpakken die daaruit voortvloeiden. Zo wordt helder waar we nu staan in het denken over oorzaken en oplossingen rondom het veranderen van beweeggedrag. 

Samengevat heeft het denken over gedragsverandering zich ontwikkeld van: (1) een focus op het niveau van het individu met sociaal-cognitieve gedragsmodellen, naar (2) het betrekken van omgevings- en beleidsfactoren in het sociaal-ecologisch model en (3) het kijken naar de dynamiek en complexiteit tussen alle betrokken factoren in het systeemdenken. Deze drie manieren van denken lichten we in dit hoofdstuk verder toe, ter inspiratie aangevuld met voorbeelden. Kanttekening: deze manieren van denken waren niet zo scherp afgebakend als hier gepresenteerd. Ze liepen meestal in elkaar over en vloeiden uit elkaar voort. Bovendien is dit overzicht niet volledig, maar gaat het over de grote lijnen in manieren van denken. 

4

AUTEURS: MIRJAM STUIJ, AMIKA SINGH, VICKY DELLAS

Eigen effectiviteit

Barrières

Vaardigheden

Gedrag

Intentie

Sociale invloed

Atittude

Externe variabelen

Later is ook de rol van gewoonte (‘habits’) van beweeggedrag toegevoegd (Aarts et al., 1997) net als de rol van kennis over bewegen (‘physical literacy’, zie bijvoorbeeld Rhodes et al., 2019).

Figuur 1. Het ASE-model (De Vries, 1988) is gebaseerd op de Theorie van Gepland Gedrag (Ajzen, 1985) en de Social Learning Theory (Bandura, 1986). Dit model gaat ervan uit dat de intentie om bepaald gedrag te vertonen leidt tot het daadwerkelijk uitvoeren van dat gedrag. Afbeelding: ASE-model (Sassen, 2004) 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019

Dominante theorieën of modellen zijn de sociaal-cognitieve theorie, het trans-theoretische model, de zelfdeterminatietheorie en de theorie van gepland gedrag (Rhodes & Pfaeffli, 2010). Deze laatste theorie is in meer dan honderd studies over beweeggedrag toegepast en heeft als uitgangspunt dat attitude, subjectieve norm en ervaren gedragscontrole iemands intentie en daarmee iemands gedrag voorspellen (Rhodes et al., 2019; zie Figuur 1). 

Hun eigen mogelijkheden, zoals eigen-effectiviteit, competentie en ervaren gedragscontrole (Rhodes et al., 2019)

Hun verwachtingen van (beweeg)gedrag, zoals verwachte voor- of nadelen, barrières, houding en uitkomsten; en/of 

Sociaal-cognitieve gedragsmodellen 

Een belangrijk uitgangspunt binnen sociaal-cognitieve gedragsmodellen is dat mensen handelen op basis van: 

Wat kenmerkt de sociaal-cognitieve modellen? Ze richten zich vooral op factoren rondom de persoonskenmerken van degene op wie de aanpak gericht is. Er is dus minder aandacht voor factoren in de (fysieke en sociale) omgeving die het gedrag beïnvloeden. In Nederland kregen deze modellen betekenis in de vorm van ‘physical literacy’, waarbij de aandacht lag op motivatie, competentie, vertrouwen en kennis van het eigen beweeggedrag. 

De eerste onderbouwing rondom gedragsverandering) is te vinden in de sociaal-cognitieve gedragsmodellen. Deze modellen ontstonden vanaf de jaren ‘80. De onderliggende aanname? Dat er een causaal en lineair verband is tussen mediatoren gerelateerd aan het individu (zoals iemands houding ten opzichte van bewegen) en het gedrag van dat individu (beweeggedrag). Het idee is dan ook om de aanpak te richten op het veranderen van één of meerdere mediatoren, waardoor iemand zich anders gedragen (in dit voorbeeld: meer bewegen). 

Tot op heden is er weinig overtuigend bewijs dat aanpakken gericht op het bevorderen van beweeggedrag positieve effecten hebben. Met name bij adolescenten uit sociaaleconomisch zwakkere milieus is dat het geval (zie bijvoorbeeld Love et al., 2019). Aanpakken die zich op meerdere componenten richten - zoals school én ouders / de bredere sociale omgeving - en theoretisch onderbouwde aanpakken lijken succesvoller (Van Sluijs et al. 2007; Owen et al 2017). Een mogelijke oorzaak van het beperkte succes van de meeste aanpakken? Dat deze zich tot nu toe op de verschillende factoren afzonderlijk richtten, maar niet op het geheel van alle factoren: hoe die zich tot elkaar verhouden en zo uiteindelijk iemands gedrag beïnvloeden. En dát is precies wat het systeemdenken aan de sociaal-cognitieve gedragsmodellen en het sociaal-ecologisch raamwerk toevoegt. 

Het centrale uitgangspunt is dat verschillende niveaus meespelen bij het beïnvloeden van gedrag, veelal verdeeld in: intrapersoonlijk (biologisch, psychologisch), interpersoonlijk (sociaal, cultureel), organisatie (school, vereniging), samenleving, fysieke omgeving en beleid (Sallis et al., 2015). Het idee is dat een succesvolle aanpak rekening houdt met die verschillende niveaus. Een bekend en veelgebruikt raamwerk is dat van Bronfenbrenner (1979), dat onderscheidt maakt tussen micro-, meso-, en macro-systemen (zie Figuur 2).

Het sociaal-ecologisch raamwerk sluit goed aan op de eerder genoemde sociaal-cognitieve gedragsmodellen, en breidt deze uit. Toch is er ook kritiek op (Sallis & Owen, 2015; Rhodes et al., 2019). Zo wordt bij het gebruik ervan vaak niet gespecificeerd welke variabelen meer of minder meespelen. Ook ligt de nadruk meestal op het aanpassen van factoren op het niveau van het individu, en is er geen aandacht voor interactie tussen de verschillende niveaus. Daarbij is de theoretische basis minimaal, waardoor alle variabelen een plek kunnen krijgen in het model. Daardoor is onduidelijk hoe de verschillende onderdelen van het model zich tot elkaar verhouden en via welke factoren je de meeste impact op gedragsverandering kunt maken.

Gaandeweg groeide de aandacht voor de invloed van de omgeving op iemands gedrag. In het sociaal-ecologisch raamwerk zijn daarom omgevings- en beleidsfactoren toegevoegd aan individuele (sociale en psychologische) factoren. Deze factoren worden bekeken vanuit verschillende wetenschappelijke terreinen, zoals psychologie, gezondheidswetenschappen, sociologie en geografie (bijvoorbeeld Bauman et al., 2012; Tiessen-Raaphorst et al., 2014).


Het sociaal-ecologisch raamwerk 

Figuur 2 Bronfenbrenner, U. (1979). The Ecology of Human Developments: experiments by nature and design. London: Harvard University Press (1979), ter illustratie van sociaal-ecologisch model 

4 (A) Unhealthy snacking CLD. (B) Physical activity CLD. AT, active transport. OAP, outdoor active play; (C) Sleep CLD. PA, physical activity. (D) Screen use CLD. Alternative options, alternative options to screen use; FOMO, fear of missing out. CLD, causal loop diagram  

Figuur 3. Causal Loop Diagram model/Systeemmap, ter illustratie van het systeemdenken. 

De WHO heeft, in het kader van het Global Action Plan on Physical Activity 2018-2030, een eerste aanzet gedaan om het complexe systeem rondom sport- en beweeggedrag in kaart te brengen. Gebaseerd op de literatuur en beoordelingen door experts zijn de belangrijkste factoren die fysieke (in)activiteit beïnvloeden in een overzicht gezet - inclusief de interactie tussen die factoren (Rutter et al., 2019; zie ook Bellew et al., 2020; ISPAH, 2020 en RIVM, 2021). Deze aanzet van de WHO geeft een globaal beeld van een systeem rondom beweeggedrag. Het biedt echter nog weinig houvast voor gerichte interventieontwikkeling. Om een passende aanpak te ontwikkelen is een overzicht nodig dat de complexiteit en dynamiek beter in kaart brengt. Een voorbeeld is een recente systeemmap over beweeggedrag van 10-14-jarigen in drie Amsterdamse wijken met veel inwoners met een lage sociaaleconomische status (Waterlander et al., 2020; zie Figuur 3). 

Binnen het systeemdenken wordt vaak gebruikgemaakt van een systeemoverzicht. Daarin staan alle factoren die meespelen bij het ontstaan en voortbestaan van het probleem. Daarbij maakt het systeemoverzicht duidelijk hoe deze factoren zich tot elkaar verhouden en op elkaar inspelen. Zo is in 2007 voor overgewicht een overzicht van betrokken factoren gemaakt, de Foresight Map (Government Office for Science, 2007). Dit voorbeeld laat mooi zien waarom een aanpak weinig succesvol is als die zich alleen richt op het direct beïnvloeden van het gedrag zelf en andere betrokken factoren als losstaande elementen ziet: dan ligt de focus slechts op één van de ruim 300 factoren die meespelen. 

Ook is het belangrijk in een systeemoverzicht aandacht te hebben voor inclusie en diversiteit, én de meer ongrijpbare en onzichtbare processen die hieronder liggen. Als voorbeeld: de WHO benoemt in het eerdergenoemde systeemoverzicht ‘gender’ en ‘leeftijd’ als ‘biologische factoren’. Dat zijn ze in relatie tot beweeggedrag inderdaad, maar ze zijn méér dan dat. Het zijn namelijk ook sociaal geconstrueerde factoren; er horen bepaalde normen en verwachtingen bij leeftijd en gender, die worden doorgegeven vanuit de omgeving (inclusief opvoeding). Platgeslagen in een simpel voorbeeld: turnen is voor meisjes, voetbal voor jongens. Wil je aandacht hebben voor hoe verschillen worden ervaren, geconstrueerd en gereproduceerd? Dan moet je factoren als gender óók als sociale constructen zien. Dit vraagt om aandacht voor bijvoorbeeld sportsocialisatie, sociale betekenissen, processen van in- en uitsluiting in sport en sportbeleid gericht op inclusie (e.g. Elling, 2007; Stuij, 2013; Nationaal Sportakkoord, 2018). Toch is deze manier van kijken geen vanzelfsprekend onderdeel van het systeemdenken, want het gaat vaak om de meer ongrijpbare processen rondom het gevoel ergens wel of niet bij te horen (belonging). Hier zit dus nog een uitdaging voor de toekomst. 

Het systeemdenken laat een verschuiving zien naar een meer op maat aanpak, waarbij verschillende (beleids)terreinen betrokken zijn en samenwerken. Een systeemoverzicht helpt om aangrijpingspunten te identificeren en te prioriteren. Wat is nodig én mogelijk? Hierbij is ook een netwerkanalyse van belang, inclusief aandacht voor machtsaspecten. Wie heeft het gezag en de macht om (waar) iets te veranderen? Het idee is dat inzicht in verschillende mechanismen en de complexiteit van het systeem helpt om beter onderbouwde keuzes te maken voor het inzetten van aanpakken en een goede implementatiestrategie (zie hoofdstuk 1).

Wat als we vanuit deze inzichten de brug naar het beweeggedrag van jongeren in het vmbo slaan? Het is bijvoorbeeld goed om in het achterhoofd te houden dat er niet alleen verschillen zijn in de hoeveelheid beweging tussen jongeren in het vmbo en andere jongeren, maar ook in wát zij doen: in hoeveel tijd ze besteden aan actief transport, buitenspelen, bewegen op school en sportparticipatie (zie hoofdstuk 'Beelden en cijfers'). Bij sportparticipatie kun je denken aan type sport maar ook aan organisatievorm, zoals bij een vereniging, in een sport- of dansschool of buiten in individueel verband. De verschillen in ‘hoeveel, wat, waar’ zijn interessante gegevens. Het bekijken van deze verschillen in relatie tot (kruisingen van) sociale statusposities, zoals gender, leeftijd, opleiding en herkomst (‘intersectionaliteit’, zie Stuij et al., 2020), helpt om ook verschillen tússen jongeren in het vmbo mee te nemen (Heijnen et al., 2020) in het denken over oorzaken en oplossingen.

Het systeemdenken voegt dynamiek en complexiteit toe aan het denken over grote maatschappelijke vraagstukken zoals te weinig bewegen. Het uitgangspunt van systeemdenken is dat verschillende individuele en omgevingsfactoren een dynamisch en complex geheel vormen – een systeem. Net als het sociaalecologisch raamwerk heeft het systeemdenken aandacht voor verschillende onderliggende factoren op verschillende niveaus. Het verschil is echter dat het vooral ook draait om hoe deze factoren elkaar beïnvloeden en in de tijd veranderen. Inzetten op één factor kan leiden tot meer beweeggedrag, maar ook tot verandering van andere factoren. Zo leidt het herinrichten van de buitenruimte (fysieke omgeving) misschien tot meer jongeren die sporten, wat de sociale veiligheid kan verhogen waardoor nóg meer jongeren gaan sporten. De aanpassing van één factor (buitenruimte) leidt dan tot meerdere een veranderingen die elk positief bijdragen aan het sportgedrag van jongeren.

Meer jongeren die gaan sporten

Systeemdenken 

Conclusie 

Vanuit het systeemoverzicht moeten keuzes gemaakt worden: wat is het meest nodig of effectief? En wat is haalbaar? Daar speelt van alles bij mee, zoals tijd, betrokkenen en geld. Een systeemoverzicht vormt zo een startpunt, maar bedenk wel: systemen zijn altijd in beweging. Het is dan ook belangrijk systemen te blijven onderzoeken op wensen en mogelijkheden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de verschillende factoren in een andere context? Of bij vernieuwingen in dezelfde context? En waarom werkt iets in de ene situatie wel, maar in de andere niet? Daarbij kun je je ook afvragen wie eigenlijk vindt dat vmbo-jongeren meer moeten bewegen. Zijn dat (ook) deze jongeren zelf of zijn dat vooral anderen? En wat betekent dát voor het denken over oorzaken en oplossingen?

Dit hoofdstuk gaf achtergrondkennis om op voort te bouwen bij projecten om jongeren in het vmbo meer te laten sporten en bewegen. Centraal stonden de globale ontwikkelingen in het denken over oorzaken en oplossingen rondom gedragsverandering. Momenteel wordt het systeemdenken als beloftevolle aanpak gezien, hoewel het nog volop in ontwikkeling is. Systeemdenken betekent het in kaart brengen van betrokken factoren én hun interacties. Dat systeem kan groot of klein zijn. Een school kun je bijvoorbeeld zien als een systeem dat weer onderdeel is van een groter systeem. Inzicht in het systeem helpt om te begrijpen welke partners betrokken (moeten) zijn bij het opschalen van succesvolle initiatieven en/of het ‘draaien aan verschillende knoppen’. 

Auteurs: Mirjam Stuij, Amika Singh, Vicky Dellas

Samengevat heeft het denken over gedragsverandering zich ontwikkeld van: (1) een focus op het niveau van het individu met sociaal-cognitieve gedragsmodellen, naar (2) het betrekken van omgevings- en beleidsfactoren in het sociaal-ecologisch model en (3) het kijken naar de dynamiek en complexiteit tussen alle betrokken factoren in het systeemdenken. Deze drie manieren van denken lichten we in dit hoofdstuk verder toe, ter inspiratie aangevuld met voorbeelden. Kanttekening: deze manieren van denken waren niet zo scherp afgebakend als hier gepresenteerd. Ze liepen meestal in elkaar over en vloeiden uit elkaar voort. Bovendien is dit overzicht niet volledig, maar gaat het over de grote lijnen in manieren van denken. 

In het hoofdstuk 'Beelden en cijfers' staat beschreven dat jongeren op het vmbo minder sporten en bewegen dan andere jongeren. Hoe verander je dat? In de afgelopen decennia is veel onderzoek gedaan naar het stimuleren van sport- en beweeggedrag. Dat blijkt een lastige opgave. In dit hoofdstuk schetsen we hoe men door de tijd heen dacht over mogelijkheden om gedrag te beïnvloeden, zowel specifiek gericht op sport en bewegen als breder gedrag rondom gezondheid. Aan bod komen theorieën over gedragsverandering en de aanpakken die daaruit voortvloeiden. Zo wordt helder waar we nu staan in het denken over oorzaken en oplossingen rondom het veranderen van beweeggedrag. 

4. Theoretisch kader  
4

Wat kenmerkt de sociaal-cognitieve modellen? Ze richten zich vooral op factoren rondom de persoonskenmerken van degene op wie de aanpak gericht is. Er is dus minder aandacht voor factoren in de (fysieke en sociale) omgeving die het gedrag beïnvloeden. In Nederland kregen deze modellen betekenis in de vorm van ‘physical literacy’, waarbij de aandacht lag op motivatie, competentie, vertrouwen en kennis van het eigen beweeggedrag. 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019

Figuur 1. Het ASE-model (De Vries, 1988) is gebaseerd op de Theorie van Gepland Gedrag (Ajzen, 1985) en de Social Learning Theory (Bandura, 1986). Dit model gaat ervan uit dat de intentie om bepaald gedrag te vertonen leidt tot het daadwerkelijk uitvoeren van dat gedrag. Afbeelding: ASE-model (Sassen, 2004) 

Dominante theorieën of modellen zijn de sociaal-cognitieve theorie, het trans-theoretische model, de zelfdeterminatietheorie en de theorie van gepland gedrag (Rhodes & Pfaeffli, 2010). Deze laatste theorie is in meer dan honderd studies over beweeggedrag toegepast en heeft als uitgangspunt dat attitude, subjectieve norm en ervaren gedragscontrole iemands intentie en daarmee iemands gedrag voorspellen (Rhodes et al., 2019; zie Figuur 1). 

Hun eigen mogelijkheden, zoals eigen-effectiviteit, competentie en ervaren gedragscontrole (Rhodes et al., 2019)

Hun verwachtingen van (beweeg)gedrag, zoals verwachte voor- of nadelen, barrières, houding en uitkomsten; en/of 

Een belangrijk uitgangspunt binnen sociaal-cognitieve gedragsmodellen is dat mensen handelen op basis van: 

De eerste onderbouwing rondom gedragsverandering) is te vinden in de sociaal-cognitieve gedragsmodellen. Deze modellen ontstonden vanaf de jaren ‘80. De onderliggende aanname? Dat er een causaal en lineair verband is tussen mediatoren gerelateerd aan het individu (zoals iemands houding ten opzichte van bewegen) en het gedrag van dat individu (beweeggedrag). Het idee is dan ook om de aanpak te richten op het veranderen van één of meerdere mediatoren, waardoor iemand zich anders gedragen (in dit voorbeeld: meer bewegen). 

Sociaal-cognitieve gedragsmodellen 

Tot op heden is er weinig overtuigend bewijs dat aanpakken gericht op het bevorderen van beweeggedrag positieve effecten hebben. Met name bij adolescenten uit sociaaleconomisch zwakkere milieus is dat het geval (zie bijvoorbeeld Love et al., 2019). Aanpakken die zich op meerdere componenten richten - zoals school én ouders / de bredere sociale omgeving - en theoretisch onderbouwde aanpakken lijken succesvoller (Van Sluijs et al. 2007; Owen et al 2017). Een mogelijke oorzaak van het beperkte succes van de meeste aanpakken? Dat deze zich tot nu toe op de verschillende factoren afzonderlijk richtten, maar niet op het geheel van alle factoren: hoe die zich tot elkaar verhouden en zo uiteindelijk iemands gedrag beïnvloeden. En dát is precies wat het systeemdenken aan de sociaal-cognitieve gedragsmodellen en het sociaal-ecologisch raamwerk toevoegt. 

Figuur 2 Bronfenbrenner, U. (1979). The Ecology of Human Developments: experiments by nature and design. London: Harvard University Press (1979), ter illustratie van sociaal-ecologisch model 

Het sociaal-ecologisch raamwerk sluit goed aan op de eerder genoemde sociaal-cognitieve gedragsmodellen, en breidt deze uit. Toch is er ook kritiek op (Sallis & Owen, 2015; Rhodes et al., 2019). Zo wordt bij het gebruik ervan vaak niet gespecificeerd welke variabelen meer of minder meespelen. Ook ligt de nadruk meestal op het aanpassen van factoren op het niveau van het individu, en is er geen aandacht voor interactie tussen de verschillende niveaus. Daarbij is de theoretische basis minimaal, waardoor alle variabelen een plek kunnen krijgen in het model. Daardoor is onduidelijk hoe de verschillende onderdelen van het model zich tot elkaar verhouden en via welke factoren je de meeste impact op gedragsverandering kunt maken.

Het centrale uitgangspunt is dat verschillende niveaus meespelen bij het beïnvloeden van gedrag, veelal verdeeld in: intrapersoonlijk (biologisch, psychologisch), interpersoonlijk (sociaal, cultureel), organisatie (school, vereniging), samenleving, fysieke omgeving en beleid (Sallis et al., 2015). Het idee is dat een succesvolle aanpak rekening houdt met die verschillende niveaus. Een bekend en veelgebruikt raamwerk is dat van Bronfenbrenner (1979), dat onderscheidt maakt tussen micro-, meso-, en macro-systemen (zie Figuur 2).

Gaandeweg groeide de aandacht voor de invloed van de omgeving op iemands gedrag. In het sociaal-ecologisch raamwerk zijn daarom omgevings- en beleidsfactoren toegevoegd aan individuele (sociale en psychologische) factoren. Deze factoren worden bekeken vanuit verschillende wetenschappelijke terreinen, zoals psychologie, gezondheidswetenschappen, sociologie en geografie (bijvoorbeeld Bauman et al., 2012; Tiessen-Raaphorst et al., 2014).


Het sociaal-ecologisch raamwerk 

Wat als we vanuit deze inzichten de brug naar het beweeggedrag van jongeren in het vmbo slaan? Het is bijvoorbeeld goed om in het achterhoofd te houden dat er niet alleen verschillen zijn in de hoeveelheid beweging tussen jongeren in het vmbo en andere jongeren, maar ook in wát zij doen: in hoeveel tijd ze besteden aan actief transport, buitenspelen, bewegen op school en sportparticipatie (zie hoofdstuk 'Beelden en cijfers'). Bij sportparticipatie kun je denken aan type sport maar ook aan organisatievorm, zoals bij een vereniging, in een sport- of dansschool of buiten in individueel verband. De verschillen in ‘hoeveel, wat, waar’ zijn interessante gegevens. Het bekijken van deze verschillen in relatie tot (kruisingen van) sociale statusposities, zoals gender, leeftijd, opleiding en herkomst (‘intersectionaliteit’, zie Stuij et al., 2020), helpt om ook verschillen tússen jongeren in het vmbo mee te nemen (Heijnen et al., 2020) in het denken over oorzaken en oplossingen.

Figuur 3. Causal Loop Diagram model/Systeemmap, ter illustratie van het systeemdenken. 

Het systeemdenken voegt dynamiek en complexiteit toe aan het denken over grote maatschappelijke vraagstukken zoals te weinig bewegen. Het uitgangspunt van systeemdenken is dat verschillende individuele en omgevingsfactoren een dynamisch en complex geheel vormen – een systeem. Net als het sociaalecologisch raamwerk heeft het systeemdenken aandacht voor verschillende onderliggende factoren op verschillende niveaus. Het verschil is echter dat het vooral ook draait om hoe deze factoren elkaar beïnvloeden en in de tijd veranderen. Inzetten op één factor kan leiden tot meer beweeggedrag, maar ook tot verandering van andere factoren. Zo leidt het herinrichten van de buitenruimte (fysieke omgeving) misschien tot meer jongeren die sporten, wat de sociale veiligheid kan verhogen waardoor nóg meer jongeren gaan sporten. De aanpassing van één factor (buitenruimte) leidt dan tot meerdere een veranderingen die elk positief bijdragen aan het sportgedrag van jongeren.

De WHO heeft, in het kader van het Global Action Plan on Physical Activity 2018-2030, een eerste aanzet gedaan om het complexe systeem rondom sport- en beweeggedrag in kaart te brengen. Gebaseerd op de literatuur en beoordelingen door experts zijn de belangrijkste factoren die fysieke (in)activiteit beïnvloeden in een overzicht gezet - inclusief de interactie tussen die factoren (Rutter et al., 2019; zie ook Bellew et al., 2020; ISPAH, 2020 en RIVM, 2021). Deze aanzet van de WHO geeft een globaal beeld van een systeem rondom beweeggedrag. Het biedt echter nog weinig houvast voor gerichte interventieontwikkeling. Om een passende aanpak te ontwikkelen is een overzicht nodig dat de complexiteit en dynamiek beter in kaart brengt. Een voorbeeld is een recente systeemmap over beweeggedrag van 10-14-jarigen in drie Amsterdamse wijken met veel inwoners met een lage sociaaleconomische status (Waterlander et al., 2020; zie Figuur 3). 

4 (A) Unhealthy snacking CLD. (B) Physical activity CLD. AT, active transport. OAP, outdoor active play; (C) Sleep CLD. PA, physical activity. (D) Screen use CLD. Alternative options, alternative options to screen use; FOMO, fear of missing out. CLD, causal loop diagram  

Ook is het belangrijk in een systeemoverzicht aandacht te hebben voor inclusie en diversiteit, én de meer ongrijpbare en onzichtbare processen die hieronder liggen. Als voorbeeld: de WHO benoemt in het eerdergenoemde systeemoverzicht ‘gender’ en ‘leeftijd’ als ‘biologische factoren’. Dat zijn ze in relatie tot beweeggedrag inderdaad, maar ze zijn méér dan dat. Het zijn namelijk ook sociaal geconstrueerde factoren; er horen bepaalde normen en verwachtingen bij leeftijd en gender, die worden doorgegeven vanuit de omgeving (inclusief opvoeding). Platgeslagen in een simpel voorbeeld: turnen is voor meisjes, voetbal voor jongens. Wil je aandacht hebben voor hoe verschillen worden ervaren, geconstrueerd en gereproduceerd? Dan moet je factoren als gender óók als sociale constructen zien. Dit vraagt om aandacht voor bijvoorbeeld sportsocialisatie, sociale betekenissen, processen van in- en uitsluiting in sport en sportbeleid gericht op inclusie (e.g. Elling, 2007; Stuij, 2013; Nationaal Sportakkoord, 2018). Toch is deze manier van kijken geen vanzelfsprekend onderdeel van het systeemdenken, want het gaat vaak om de meer ongrijpbare processen rondom het gevoel ergens wel of niet bij te horen (belonging). Hier zit dus nog een uitdaging voor de toekomst. 

Binnen het systeemdenken wordt vaak gebruikgemaakt van een systeemoverzicht. Daarin staan alle factoren die meespelen bij het ontstaan en voortbestaan van het probleem. Daarbij maakt het systeemoverzicht duidelijk hoe deze factoren zich tot elkaar verhouden en op elkaar inspelen. Zo is in 2007 voor overgewicht een overzicht van betrokken factoren gemaakt, de Foresight Map (Government Office for Science, 2007). Dit voorbeeld laat mooi zien waarom een aanpak weinig succesvol is als die zich alleen richt op het direct beïnvloeden van het gedrag zelf en andere betrokken factoren als losstaande elementen ziet: dan ligt de focus slechts op één van de ruim 300 factoren die meespelen. 

Systeemdenken 

Meer jongeren die gaan sporten

Vanuit het systeemoverzicht moeten keuzes gemaakt worden: wat is het meest nodig of effectief? En wat is haalbaar? Daar speelt van alles bij mee, zoals tijd, betrokkenen en geld. Een systeemoverzicht vormt zo een startpunt, maar bedenk wel: systemen zijn altijd in beweging. Het is dan ook belangrijk systemen te blijven onderzoeken op wensen en mogelijkheden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de verschillende factoren in een andere context? Of bij vernieuwingen in dezelfde context? En waarom werkt iets in de ene situatie wel, maar in de andere niet? Daarbij kun je je ook afvragen wie eigenlijk vindt dat vmbo-jongeren meer moeten bewegen. Zijn dat (ook) deze jongeren zelf of zijn dat vooral anderen? En wat betekent dát voor het denken over oorzaken en oplossingen?

Dit hoofdstuk gaf achtergrondkennis om op voort te bouwen bij projecten om jongeren in het vmbo meer te laten sporten en bewegen. Centraal stonden de globale ontwikkelingen in het denken over oorzaken en oplossingen rondom gedragsverandering. Momenteel wordt het systeemdenken als beloftevolle aanpak gezien, hoewel het nog volop in ontwikkeling is. Systeemdenken betekent het in kaart brengen van betrokken factoren én hun interacties. Dat systeem kan groot of klein zijn. Een school kun je bijvoorbeeld zien als een systeem dat weer onderdeel is van een groter systeem. Inzicht in het systeem helpt om te begrijpen welke partners betrokken (moeten) zijn bij het opschalen van succesvolle initiatieven en/of het ‘draaien aan verschillende knoppen’. 

Conclusie