AUTEURS: Bert Steenbergen en Johan Steenbergen 

2. Implementatie

Om echt impact te maken en opgedane kennis te benutten, is aandacht voor implementatie van groot belang. ‘Implementeren’ of ‘implementatie’ zijn geen eenduidige begrippen, maar uit diverse omschrijvingen komen wel steeds bepaalde kenmerken naar voren. Het gaat om iets in de praktijk brengen (toepasbaar maken), inspelen op een vraag van intermediairs en een einddoelgroep, en het verduurzamen (borgen) van een toepassing. Anders gezegd, resultaten van een onderzoek moeten helpen iets te veranderen en voor de beoogde doelgroep waardevol zijn. Dat betekent ook dat implementatie niet een soort eindstation is vanuit een sturing ‘van bovenaf’. Het is een gezamenlijke opgave van verschillende betrokkenen, waarbij denken en doen steeds hand in hand gaan.

2

Zorg voor borging van de aanpak

Sta stil bij de adoptie van de oplossing

Onderzoek de mate van evidentie en effectiviteit

Formuleer de vraag met direct betrokkenen

Bepaal wie je wilt betrekken bij het onderzoek en de toepassing

Samenhangende onderdelen van implementatie

Stel bijvoorbeeld dat de vmbo-jeugd (te) weinig beweegt en men daarom onderzoek doet naar oorzaken en oplossingsrichtingen. Om echt een verschil te maken, moet een tweedeling worden voorkomen tussen de fase van ‘denken’ (onderzoek) en ‘doen’ (toepassing). Anders gezegd, implementatie is geen slotstuk van een onderzoeksproces, maar moet vanaf de start worden meegenomen.

Voor een effectieve toepassing en toepasbaarheid, moet je direct bij de start van een onderzoek bij een aantal onderdelen en vragen stilstaan:

Daarbij is het essentieel dat de eindgebruikers - in dit geval de jongeren in het vmbo - vanaf het begin worden betrokken bij het bedenken van oplossingen. Denk aan vragen als: “Wat willen ze zelf?” “Zien ze het probleem zelf ook?” “Wat zijn volgens hen de oorzaken van ‘het probleem’?” Het is belangrijk deze vragen niet over de hoofden van deze jongeren te stellen, maar samen mét hen, vanuit actieve participatie. Te vaak worden namelijk oplossingen bedacht voor een doelgroep zonder dat deze zelf actief kan meedenken. Oplossingen worden dan aan het eind ‘over de schutting gegooid’ richting de doelgroep, soms zelfs zonder dat die zich bewust was van een probleem. Als voorbeeld: in de loop van jaren zijn veel dure revalidatie-robots ontwikkeld die uiteindelijk in de kast zijn beland. Waarom? Patiënten konden er niet mee werken of vonden ze esthetisch onaantrekkelijk.

Zien ze het probleem zelf ook? 

Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut (NJi).) Er zijn daarbij verschillende methoden om het eigen initiatief van jongeren te stimuleren en zo de actieve participatie te verhogen (Bauer, Rutjes, van der Gaag, & Mak (2012). Bekijk ook:

Wat is verder noodzakelijk om een oplossing effectief door te voeren? De dialoog aangaan met de jongeren om je te verdiepen in wat zij willen en wat hen beweegt. (Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Number Five Foundation, & Nationale Jeugdraad (NJR) (2021).

1. Bepaal wie je wilt betrekken bij het onderzoek en de toepassing

Samengevat, om mogelijke oplossingen te bedenken en verder te brengen, kun je stilstaan bij de vraag: wie op welke manier betrekken bij het onderzoek? Concreet kun je de volgende vragen stellen:

  • Wie zijn de belangrijkste betrokkenen om bij de verandering (de toepassing van resultaten van het onderzoek) te betrekken?
  • Op welke manier wil je de belanghebbenden betrekken bij het onderzoek?

Voordat je over vragen en oplossingen nadenkt, moet je bedenken: wie zijn van belang om te betrekken bij het onderzoek, oplossingen en de toepassing van de resultaten? Dat begint vaak met het inventariseren van de belanghebbenden (stakeholders), maar ook met het bevragen van diegenen zelf: wie zien zíj als stakeholders? Bij onderzoek naar vmbo-jeugd en het benutten van de ontwikkelde kennis, is het zinvol de vraag te stellen: wie zijn van belang om te betrekken? Docenten, ontwikkelaars, directie / management en de einddoelgroep zelf? Het helpt om een lijst te maken van belanghebbenden: het inventariseren. Zo’n inventarisatie geeft al een mooi overzicht. De volgende vraag is: hóe kun je ze betrekken? Wie worden bijvoorbeeld direct vanaf de start betrokken, en wie in een latere fase? Vaak wordt eerst onderzoek verricht en pas daarná nagedacht over wie op welke wijze te betrekken. Maar de adoptie van de oplossing wordt, zoals aangegeven, groter als dit bij de start gebeurt.

2. Formuleer de vraag met direct betrokkenen

Verdiepingssessie met betrokkenen 

Wie zijn betrokken bij de uitdaging? Samen met hen kan het probleem van verschillende kanten worden belicht. Tijdens zo’n verdiepingssessie komt bijvoorbeeld aan bod:

  • Welke oplossingen zijn al ingezet de afgelopen tijd?
  • Wat zijn volgens de einddoelgroep en intermediairs (zoals professionals) de belangrijkste factoren die meespelen bij het probleem?
  • Wat zijn versterkende en belemmerende factoren van het probleem?
  • Wie kan op welke manier bijdragen aan oplossingen?

Korte pitches organiseren bij de start

De vraag verkennen of formuleren kan ook met korte pitches. Een pitch is een korte presentatie van het probleem en mogelijke oplossingen. Deze pitches kunnen al vanaf de start worden georganiseerd, met dezelfde vragen en oplossingsrichtingen uit de verdiepingssessie. Een diverse groep van wetenschappers, praktijkprofessionals en de einddoelgroep kan de pitches beoordelen. Een vraag of probleem voorleggen helpt om richting te geven aan de pitches. Bijvoorbeeld: “Bedenk haalbare oplossingen voor meer bewegen op het vmbo en onderbouw deze oplossingen.” Door deze methode wordt het perspectief dus ook sterk gericht op hoe de eindgebruiker de wereld ervaart. Hoe zien jongeren in het vmbo de wereld? Hoe ziet hun leefwereld eruit? Waar liggen hun wensen en voorkeuren?

Het proces van vraagarticulatie heeft als belangrijkste doel het praktijkvraagstuk te signaleren en verkennen, en de onderzoeksvraag te formuleren. Van den Berg, Teurlings & Aluco (2019). 

Naast bepalen wie op welke wijze moet worden betrokken, is de zogenoemde vraagarticulatie onontbeerlijk: het helder krijgen van de vraag. Iedere oplossing of oplossingsrichting van een probleem start daarmee. Er zijn verschillende manieren om dat te doen via actieve participatie van de doelgroep en intermediairs / professionals. Hieronder staan enkele methoden die vrij gemakkelijk zijn toe te passen.

3. Onderzoek de mate van evidentie en effectiviteit

Daarbij zijn twee vragen van belang:

  • Is er een zekere mate van evidentie dat de aanpak effectief kan zijn, eventueel uit ervaring met andere doelgroepen?
  • Wat zijn de belangrijkste werkzame principes die maken dat bepaalde aanpakken effect hebben?

Waar de vorige fase draaide om het - met eindgebruikers en direct betrokkenen - verkennen van de vragen en mogelijke oplossingen, draait deze fase vooral om een zoektocht in de (onderzoeks)literatuur. Zo ontstaat een beeld van bijvoorbeeld cijfers over sport- en beweeggedrag, werkzame principes en versterkende en belemmerende factoren (zie elders in dit whitepaper).

In deze fase is het goed om (nogmaals) te kijken naar bestaande (effectieve) aanpakken, en of een aanpak geschikt zou zijn. Kan worden aangetoond, bijvoorbeeld met bestaande data en bestaand onderzoek, dat het gewenste effect te bereiken is?

4. Sta stil bij de adoptie van de oplossing

Om te onderzoeken of de oplossing daadwerkelijk zal worden ingezet, helpen verschillende vragen:

  • Is er voldoende ‘know how’? Moeten mensen worden geschoold / opgeleid / ondersteund?
  • Is er voldoende capaciteit qua middelen om de oplossing in te zetten? Hier gaat het dus om laten aansluiten van de oplossing op het perspectief van de organisatie die ermee aan de slag gaat.

Zijn ‘de’ organisatie en haar direct betrokkenen voldoende toegerust om de oplossing of aanpak ook goed in te zetten? Onuitvoerbare oplossingen zullen namelijk in de lade blijven liggen.

5. Zorg voor borging van de aanpak

Daarom is het belangrijk om vragen te stellen zoals:

  • Is er verankering in meerjarig beleid (dus inclusief middelen)?
  • Is er voldoende draagvlak om hier meerjarig op in te zetten?
  • Kunnen er slimme samenwerkingen worden opgezet, bijvoorbeeld profit-nonprofit?

Een verandering tot stand brengen vraagt vaak een lange adem. Eenmalig een aanpak, oplossing of interventie inzetten om het daarna weer ‘uit te laten doven’? Dan wordt het probleem niet structureel aangepakt. Als niet wordt nagedacht over borging, zal er dus slechts een kortstondig effect zijn.

Tot slot

Algemeen over implementatie en actieve participatie

Aan de hand van de genoemde vijf onderdelen en bijbehorende vragen, kun je vanaf de start van het onderzoek al nadenken over de toepasbaarheid van een onderzoek. In feite is implementatie daarmee een paraplubegrip waaronder de verschillende onderdelen vallen; niet pas als de oplevering van de resultaten in zicht komt, maar vanaf het begin, geïntegreerd binnen het onderzoek als een continu proces.

AUTEURS: Bert Steenbergen en Johan Steenbergen 

Om echt impact te maken en opgedane kennis te benutten, is aandacht voor implementatie van groot belang. ‘Implementeren’ of ‘implementatie’ zijn geen eenduidige begrippen, maar uit diverse omschrijvingen komen wel steeds bepaalde kenmerken naar voren. Het gaat om iets in de praktijk brengen (toepasbaar maken), inspelen op een vraag van intermediairs en een einddoelgroep, en het verduurzamen (borgen) van een toepassing. Anders gezegd, resultaten van een onderzoek moeten helpen iets te veranderen en voor de beoogde doelgroep waardevol zijn. Dat betekent ook dat implementatie niet een soort eindstation is vanuit een sturing ‘van bovenaf’. Het is een gezamenlijke opgave van verschillende betrokkenen, waarbij denken en doen steeds hand in hand gaan.

2. Implementatie
2

Zorg voor borging van de aanpak

Sta stil bij de adoptie van de oplossing

Onderzoek de mate van evidentie en effectiviteit

Formuleer de vraag met direct betrokkenen

Bepaal wie je wilt betrekken bij het onderzoek en de toepassing

Voor een effectieve toepassing en toepasbaarheid, moet je direct bij de start van een onderzoek bij een aantal onderdelen en vragen stilstaan:

Samenhangende onderdelen van implementatie

Daarbij is het essentieel dat de eindgebruikers - in dit geval de jongeren in het vmbo - vanaf het begin worden betrokken bij het bedenken van oplossingen. Denk aan vragen als: “Wat willen ze zelf?” “Zien ze het probleem zelf ook?” “Wat zijn volgens hen de oorzaken van ‘het probleem’?” Het is belangrijk deze vragen niet over de hoofden van deze jongeren te stellen, maar samen mét hen, vanuit actieve participatie. Te vaak worden namelijk oplossingen bedacht voor een doelgroep zonder dat deze zelf actief kan meedenken. Oplossingen worden dan aan het eind ‘over de schutting gegooid’ richting de doelgroep, soms zelfs zonder dat die zich bewust was van een probleem. Als voorbeeld: in de loop van jaren zijn veel dure revalidatie-robots ontwikkeld die uiteindelijk in de kast zijn beland. Waarom? Patiënten konden er niet mee werken of vonden ze esthetisch onaantrekkelijk.

Zien ze het probleem zelf ook? 

Stel bijvoorbeeld dat de vmbo-jeugd (te) weinig beweegt en men daarom onderzoek doet naar oorzaken en oplossingsrichtingen. Om echt een verschil te maken, moet een tweedeling worden voorkomen tussen de fase van ‘denken’ (onderzoek) en ‘doen’ (toepassing). Anders gezegd, implementatie is geen slotstuk van een onderzoeksproces, maar moet vanaf de start worden meegenomen.

Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut (NJi).) Er zijn daarbij verschillende methoden om het eigen initiatief van jongeren te stimuleren en zo de actieve participatie te verhogen (Bauer, Rutjes, van der Gaag, & Mak (2012). Bekijk ook:

Samengevat, om mogelijke oplossingen te bedenken en verder te brengen, kun je stilstaan bij de vraag: wie op welke manier betrekken bij het onderzoek? Concreet kun je de volgende vragen stellen:

  • Wie zijn de belangrijkste betrokkenen om bij de verandering (de toepassing van resultaten van het onderzoek) te betrekken?
  • Op welke manier wil je de belanghebbenden betrekken bij het onderzoek?
Wat is verder noodzakelijk om een oplossing effectief door te voeren? De dialoog aangaan met de jongeren om je te verdiepen in wat zij willen en wat hen beweegt. (Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Number Five Foundation, & Nationale Jeugdraad (NJR) (2021).

Voordat je over vragen en oplossingen nadenkt, moet je bedenken: wie zijn van belang om te betrekken bij het onderzoek, oplossingen en de toepassing van de resultaten? Dat begint vaak met het inventariseren van de belanghebbenden (stakeholders), maar ook met het bevragen van diegenen zelf: wie zien zíj als stakeholders? Bij onderzoek naar vmbo-jeugd en het benutten van de ontwikkelde kennis, is het zinvol de vraag te stellen: wie zijn van belang om te betrekken? Docenten, ontwikkelaars, directie / management en de einddoelgroep zelf? Het helpt om een lijst te maken van belanghebbenden: het inventariseren. Zo’n inventarisatie geeft al een mooi overzicht. De volgende vraag is: hóe kun je ze betrekken? Wie worden bijvoorbeeld direct vanaf de start betrokken, en wie in een latere fase? Vaak wordt eerst onderzoek verricht en pas daarná nagedacht over wie op welke wijze te betrekken. Maar de adoptie van de oplossing wordt, zoals aangegeven, groter als dit bij de start gebeurt.

1. Bepaal wie je wilt betrekken bij het onderzoek en de toepassing

Verdiepingssessie met betrokkenen 

Wie zijn betrokken bij de uitdaging? Samen met hen kan het probleem van verschillende kanten worden belicht. Tijdens zo’n verdiepingssessie komt bijvoorbeeld aan bod:

  • Welke oplossingen zijn al ingezet de afgelopen tijd?
  • Wat zijn volgens de einddoelgroep en intermediairs (zoals professionals) de belangrijkste factoren die meespelen bij het probleem?
  • Wat zijn versterkende en belemmerende factoren van het probleem?
  • Wie kan op welke manier bijdragen aan oplossingen?

Korte pitches organiseren bij de start

De vraag verkennen of formuleren kan ook met korte pitches. Een pitch is een korte presentatie van het probleem en mogelijke oplossingen. Deze pitches kunnen al vanaf de start worden georganiseerd, met dezelfde vragen en oplossingsrichtingen uit de verdiepingssessie. Een diverse groep van wetenschappers, praktijkprofessionals en de einddoelgroep kan de pitches beoordelen. Een vraag of probleem voorleggen helpt om richting te geven aan de pitches. Bijvoorbeeld: “Bedenk haalbare oplossingen voor meer bewegen op het vmbo en onderbouw deze oplossingen.” Door deze methode wordt het perspectief dus ook sterk gericht op hoe de eindgebruiker de wereld ervaart. Hoe zien jongeren in het vmbo de wereld? Hoe ziet hun leefwereld eruit? Waar liggen hun wensen en voorkeuren?

Het proces van vraagarticulatie heeft als belangrijkste doel het praktijkvraagstuk te signaleren en verkennen, en de onderzoeksvraag te formuleren. Van den Berg, Teurlings & Aluco (2019). 

Naast bepalen wie op welke wijze moet worden betrokken, is de zogenoemde vraagarticulatie onontbeerlijk: het helder krijgen van de vraag. Iedere oplossing of oplossingsrichting van een probleem start daarmee. Er zijn verschillende manieren om dat te doen via actieve participatie van de doelgroep en intermediairs / professionals. Hieronder staan enkele methoden die vrij gemakkelijk zijn toe te passen.

2. Formuleer de vraag met direct betrokkenen

Waar de vorige fase draaide om het - met eindgebruikers en direct betrokkenen - verkennen van de vragen en mogelijke oplossingen, draait deze fase vooral om een zoektocht in de (onderzoeks)literatuur. Zo ontstaat een beeld van bijvoorbeeld cijfers over sport- en beweeggedrag, werkzame principes en versterkende en belemmerende factoren (zie elders in dit whitepaper).

Daarbij zijn twee vragen van belang:

  • Is er een zekere mate van evidentie dat de aanpak effectief kan zijn, eventueel uit ervaring met andere doelgroepen?
  • Wat zijn de belangrijkste werkzame principes die maken dat bepaalde aanpakken effect hebben?

In deze fase is het goed om (nogmaals) te kijken naar bestaande (effectieve) aanpakken, en of een aanpak geschikt zou zijn. Kan worden aangetoond, bijvoorbeeld met bestaande data en bestaand onderzoek, dat het gewenste effect te bereiken is?

3. Onderzoek de mate van evidentie en effectiviteit

Om te onderzoeken of de oplossing daadwerkelijk zal worden ingezet, helpen verschillende vragen:

  • Is er voldoende ‘know how’? Moeten mensen worden geschoold / opgeleid / ondersteund?
  • Is er voldoende capaciteit qua middelen om de oplossing in te zetten? Hier gaat het dus om laten aansluiten van de oplossing op het perspectief van de organisatie die ermee aan de slag gaat.

Zijn ‘de’ organisatie en haar direct betrokkenen voldoende toegerust om de oplossing of aanpak ook goed in te zetten? Onuitvoerbare oplossingen zullen namelijk in de lade blijven liggen.

4. Sta stil bij de adoptie van de oplossing

Daarom is het belangrijk om vragen te stellen zoals:

  • Is er verankering in meerjarig beleid (dus inclusief middelen)?
  • Is er voldoende draagvlak om hier meerjarig op in te zetten?
  • Kunnen er slimme samenwerkingen worden opgezet, bijvoorbeeld profit-nonprofit?

Een verandering tot stand brengen vraagt vaak een lange adem. Eenmalig een aanpak, oplossing of interventie inzetten om het daarna weer ‘uit te laten doven’? Dan wordt het probleem niet structureel aangepakt. Als niet wordt nagedacht over borging, zal er dus slechts een kortstondig effect zijn.

5. Zorg voor borging van de aanpak

Algemeen over implementatie en actieve participatie

Aan de hand van de genoemde vijf onderdelen en bijbehorende vragen, kun je vanaf de start van het onderzoek al nadenken over de toepasbaarheid van een onderzoek. In feite is implementatie daarmee een paraplubegrip waaronder de verschillende onderdelen vallen; niet pas als de oplevering van de resultaten in zicht komt, maar vanaf het begin, geïntegreerd binnen het onderzoek als een continu proces.

Tot slot