3. Beelden en cijfers

Regelmatig bewegen heeft een positief effect op verschillende aspecten van gezondheid (WHO, 2018Gezondheidsraad, 2017). Het helpt om chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, diabetes en (borst- en colon-)kanker te voorkomen. Ook draagt het bij aan het voorkomen van een hoge bloeddruk en het verbeteren van de mentale gezondheid. Bailey en collega's (2013) hebben de positieve effecten van sport en bewegen daarnaast vanuit een breder perspectief samengevat in het zogenaamde ‘Human Capital Model’. Dit model onderscheidt zes kernwaarden: fysieke waarde, emotionele waarde, persoonlijke waarde, intellectuele waarde en financiële waarde (Bailey, 2013). 

Bekijk ook de interactieve versie van het Human Capital Model van Kenniscentrum Sport en Bewegen

Een andere interessante publicatie is de literatuurstudie naar de gezondheidswaarde, de sociale en de economische waarde van buitenspelen voor kinderen van 2 t/m 18 jaar (De Vries, 2012). Deze onderzoekers concluderen dat regelmatig buitenspelen een positief effect heeft op zowel de gezondheid als maatschappelijke aspecten. Verschillende andere studies laten hetzelfde zien (Gray, 2015; Bento & Dias, 2017).

AUTEUR: WANDA WENDEL-VOS

3
Zij besteden minder tijd aan sport en bewegen dan jongeren en jongvolwassenen.

Monitoren van sport en bewegen in Nederland

Omdat we het sport- en beweeggedrag van Nederlanders over de tijd volgen, weten we ook dat het beweeggedrag van jongeren in Nederland zich de afgelopen twintig jaar ongunstig heeft ontwikkeld. Ze zijn weliswaar meer gaan wandelen, maar de jongeren van nu besteden minder tijd aan sporten en fietsen dan jongeren van twintig jaar geleden. Tegelijkertijd zijn fietsen en sporten nog steeds de belangrijkste activiteiten voor jongeren.

In Nederland volgen we de ontwikkelingen op het gebied van sport en bewegen in de tijd met behulp van een set kernindicatoren. Op www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren staat steeds de meest recente informatie. Zo is bekend dat sommige groepen in de samenleving minder actief zijn. Dit zijn bijvoorbeeld mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond, alleenstaanden van 40 jaar of ouder, mensen jonger dan 65 jaar die arbeidsongeschikt zijn en mensen met een lichamelijke beperking. Een ander voorbeeld is de groep ouderen. Zij besteden minder tijd aan sport en bewegen dan jongeren en jongvolwassenen. We weten verder dat sport en bewegen samenhangt met sociaaleconomische status. Mensen met een lager opleidingsniveau sporten en bewegen minder dan mensen met een hoger opleidingsniveau. Jongeren uit gezinnen met een laag huishoudinkomen sporten en bewegen minder dan jongeren uit gezinnen met een hoog huishoudinkomen (Van Stam, 2021). Zo rapporteerde de GGD Haaglanden in 2014 dat 38% van de Haagse jongeren nooit sport. Dit percentage was hoger onder jongeren met een niet-Westerse migratieachtergrond (46%) en met name onder de Turkse jongeren (50%). Het percentage jongeren dat nooit sport was ook hoger in wijken met achterstand (42%) dan in wijken zonder achterstand (31%) (GGD Haaglanden, 2014). Ook zijn er regionale verschillen in sport- en beweeggedrag. Meestal wordt er in (sterk) stedelijk gebied meer aan sport en bewegen gedaan dan in niet-stedelijk gebied.

*Deze cijfers worden doorgaans gerapporteerd o.b.v. van de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor. Hier is echter voor een afwijkende bron gekozen vanwege de mogelijkheid om uit te splitsen naar type onderwijs. Cijfers voor de totale groep wijken daardoor af van de cijfers die te vinden zijn op Sportenbewegenincijfers.nl. $ Inclusief Praktijkonderwijs.

Recent onderzoek in opdracht van NOC*NSF laat verder zien dat een kwart van de vmbo'ers op maximaal 1 dag per week 60 minuten beweegt (NOC*NSF, in press).

Ook op basis van de internationale studie ‘Health Behaviour in School-aged Children' (HBSC) blijkt dat vmbo-leerlingen achterblijven in sport- en beweeggedrag ten opzichte van andere groepen jongeren in het voortgezet onderwijs. In de HBSC-studie keek men bovendien naar sociale media en gamen. Gebruik van sociale media en tijd besteed aan gamen neemt af bij een hoger schoolniveau. Opmerkelijk: onder de vmbo-basis-leerlingen gaf 40% aan de hele dag door sociale media te gebruiken, tegenover 26% onder de vwo-leerlingen. En onder vwo-leerlingen gaf 4% aan tenminste 24 uur per week te gamen, tegenover 13% onder vmbo-basis-leerlingen (Stevens, 2018).

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019

Tabel 1.

Voldoen aan de beweegrichtlijnen, wekelijkse sportdeelname en zitgedrag

In tabel 1 staan cijfers over 1) het voldoen aan de beweegrichtlijnen, 2) wekelijks sporten en 3) het aantal zituren op een gemiddelde dag in de week. Deze cijfers zijn uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen en schoolniveaus. Binnen het voortgezet onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen vmbo, havo en vwo. Het is duidelijk dat vmbo-leerlingen achterblijven in sport- en beweeggedrag ten opzichte van andere groepen jongeren in het voortgezet onderwijs. De verschillen tussen vmbo-, havo- en vwo-leerlingen zijn groter voor wekelijkse sportdeelname (daarbij gaat het om sporten ongeacht de organisatievorm) dan voor bewegen in brede zin. Wat ook duidelijk is: op alle schoolniveaus sporten en bewegen jongens meer dan meisjes. En wat is bekend over zitgedrag? Jongeren zitten relatief veel, vooral in het voortgezet onderwijs. We zien echter geen grote verschillen in de tijd die vmbo-, havo- en vwo-leerlingen zitten op een gemiddelde dag in de week. Vmbo-leerlingen lijken iets minder te zitten dan havo- en vwo-leerlingen. Ook lijken meisjes gemiddeld iets meer tijd zittend door te brengen dan jongens, ongeacht schoolniveau.

Hoe zit het met de verschillen tussen jongens en meisjes? Op het vmbo en vwo besteden meisjes meer tijd aan lopen van en naar school dan jongens; bij havo-leerlingen zijn geen verschillen. Op het vmbo zijn voor wandelen in de vrije tijd geen verschillen tussen jongens en meisjes, maar op de havo en het vwo besteden meisjes hier meer tijd aan dan jongens.

Voor fietsen van en naar school is het beeld omgekeerd vergeleken met wandelen. Vmbo-leerlingen besteden gemiddeld 4 uur en een kwartier aan fietsen naar school. Meisjes scoren hier hoger dan jongens. Bij havo-leerlingen is dit 4,5 uur en bij vwo-leerlingen 5 uur en een kwartier, waarbij jongens juist hoger scoren dan meisjes. Voor fietsen in de vrije tijd gaat het om 3 uur en een kwartier (vmbo), 4 uur en 10 minuten (havo) en 3,5 uur (vwo). Op het vmbo en de havo rapporteren meisjes meer tijd voor deze activiteit; op het vwo zijn het de jongens. 

Gekeken naar de verschillende activiteiten blijkt dat vmbo-leerlingen meer tijd besteden aan wandelen dan havo- en vwo-leerlingen. Vmbo-leerlingen besteden gemiddeld een half uur per week aan lopen van en naar school. Ze besteden gemiddeld 2 uur per week aan wandelen in de vrije tijd. Bij havo-leerlingen is dit respectievelijk 20 minuten en 1,5 uur, en bij vwo-leerlingen respectievelijk 10 minuten en 80 minuten. 

Ze besteden gemiddeld 2 uur per week aan wandelen

Populaire activiteiten 

Figuur 1. Aandeel van de wekelijkse sporters dat respectievelijk 1, 2, of tenminste 3 sporten beoefent, uitgesplitst naar schoolniveau. Inclusief Praktijkonderwijs 

Middelbare scholieren die wekelijks sporten doen iets vaker aan individuele sport dan aan teamsport (Tabel 2). Deze verschillen zijn het kleinst bij havo-leerlingen. Het aandeel individuele sporters is, ongeacht schoolniveau, hoger bij meisjes dan bij jongens. Voor teamsporten is het andersom. 

Ook de tijd die wordt besteed aan sporten ligt bij vmbo-leerlingen lager dan bij havo- en vwo-leerlingen. Vmbo-leerlingen besteden gemiddeld iets minder dan 4 uur per week aan sporten, en havo- en vwo-leerlingen gemiddeld bijna 5 uur. Op alle schoolniveaus besteden jongens meer tijd aan sporten dan meisjes. Sportende vmbo'ers beoefenen ook relatief vaak één sport en minder vaak twee of meer sporten (Figuur 1). Dit beeld komt duidelijker naar voren bij meisjes dan bij jongens. 

Sporten 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019. $ Inclusief Praktijkonderwijs 

Tabel 2. Aandeel van de wekelijkse sporters dat aan teamsporten doet en het aandeel dat individueel sport onder vmbo-, havo- en vwo-leerlingen. 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019. 

Via deze website zijn cijfers beschikbaar over wekelijks sporten in georganiseerd verband, lopen / fietsen op tenminste 5 dagen per week, sport en bewegen op tenminste 5 en op alle dagen van de week. De cijfers worden standaard gerapporteerd per GGD-regio, maar zijn ook beschikbaar voor de meeste Nederlandse gemeenten.


Uit de Gezondheidsmonitor Jeugd blijkt dat driekwart van de tweede- en vierdeklassers van het voortgezet onderwijs 1 dag per week of meer bij een club, vereniging of sportschool sport.NOC*NSF, 2020). 12 Dit komt overeen met de resultaten uit de Leefstijlmonitor (Tabel 1). Uit de registraties van ledenaantallen van sportverenigingen weten we dat clublidmaatschap sterk afneemt vanaf 14 jaar. In 2019 was 63% van de 10- tot en met 14-jarigen in Nederland lid van een sportvereniging. Voor de groep 15- tot en met 19-jarigen daalde dit percentage drastisch naar 44%, om vanaf de leeftijd van 30 jaar te stabiliseren rond de 20% (NOC*NSF, 2020).


Lidmaatschap vereniging 

Tabel 3. Top 10 meest populaire sporten onder vmbo-, havo- en vwo-leerlingen. 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019. $ Inclusief Praktijkonderwijs 

Tabel 3 geeft de top 10 meest populaire sporten voor jongeren op het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar schoolniveau en gender. Voetbal en fitness zijn duidelijk favoriet bij jongeren op het voortgezet onderwijs. Opvallend: de vmbo-leerlingen zijn de enige groep waar kickboksen wel in de top 10 staat en hardlopen niet. De drie schoolniveaus kennen verder een vergelijkbare top 10, hoewel de posities van de verschillende sporten licht variëren. De populaire sporten verschillen wel tussen jongens en meisjes. In de top 10 van jongens staan, afhankelijk van het schoolniveau, sporten als kickboksen, gymnastiek, freerunning, basketbal, krachtsport / krachttraining, mountainbiken, wielrennen en judo. Voor meisjes gaat het om sporten als dansen, streetdance, ballet, paardrijden, turnen en volleybal. 

Top 10 populaire sporten

Ook de mate waarin de fysieke omgeving uitnodigt tot sporten en bewegen is belangrijk. Bovendien speelt de sociale veiligheid een belangrijke rol. Het is belangrijk dat de fysieke inrichting en vaste (speel)voorzieningen in de wijk veilig én uitdagend zijn ingericht en tegelijkertijd aansluiten op de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen (Van Gastel, 2014).

Onderzoek in opdracht van NOC*NSF laat zien dat vmbo’ers die weinig bewegen (NOC*NSF, 2021). 3 de positieve kanten van sport minder voelen. Ze sporten en bewegen minder vaak voor het plezier of de gezelligheid, of omdat het voldoening of een goed gevoel over zichzelf geeft. Ook wordt deze groep door zichzelf, hun ouders en hun omgeving niet gezien als sportief. Vmbo’ers die weinig bewegen, zitten minder vaak op een sport en zijn minder met gezondheid bezig, maar ervaren ook geen gezondheidsprobleem. Deze groep beweegt vaak samen met hun ouders; sporten doen ze vaker alleen. Ze hebben een (beperkte) wens om meer te bewegen en te sporten. Daarbij geven ze aan dat een sportmaatje mogelijk zal helpen (NOC*NSF, 2021).

Wat maakt nu dat jongeren meer of minder sporten en bewegen? Dat hangt samen met verschillende achterliggende factoren (determinanten). Dit zijn factoren binnen het individu, maar ook daarbuiten: vanuit de leef- en woonomstandigheden. Ook zijn er algemene maatschappelijke ontwikkelingen die invloed hebben op beweeggedrag (RIVM, 2021)

Motieven en belemmeringen 

AUTEUR: WANDA WENDEL-VOS

Regelmatig bewegen heeft een positief effect op verschillende aspecten van gezondheid (WHO, 2018Gezondheidsraad, 2017). Het helpt om chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, diabetes en (borst- en colon-)kanker te voorkomen. Ook draagt het bij aan het voorkomen van een hoge bloeddruk en het verbeteren van de mentale gezondheid. Bailey en collega's (2013) hebben de positieve effecten van sport en bewegen daarnaast vanuit een breder perspectief samengevat in het zogenaamde ‘Human Capital Model’. Dit model onderscheidt zes kernwaarden: fysieke waarde, emotionele waarde, persoonlijke waarde, intellectuele waarde en financiële waarde (Bailey, 2013). 

Bekijk ook de interactieve versie van het Human Capital Model van Kenniscentrum Sport en Bewegen

Een andere interessante publicatie is de literatuurstudie naar de gezondheidswaarde, de sociale en de economische waarde van buitenspelen voor kinderen van 2 t/m 18 jaar (De Vries, 2012). Deze onderzoekers concluderen dat regelmatig buitenspelen een positief effect heeft op zowel de gezondheid als maatschappelijke aspecten. Verschillende andere studies laten hetzelfde zien (Gray, 2015; Bento & Dias, 2017).

3. Beelden en cijfers
3

Omdat we het sport- en beweeggedrag van Nederlanders over de tijd volgen, weten we ook dat het beweeggedrag van jongeren in Nederland zich de afgelopen twintig jaar ongunstig heeft ontwikkeld. Ze zijn weliswaar meer gaan wandelen, maar de jongeren van nu besteden minder tijd aan sporten en fietsen dan jongeren van twintig jaar geleden. Tegelijkertijd zijn fietsen en sporten nog steeds de belangrijkste activiteiten voor jongeren.

Zij besteden minder tijd aan sport en bewegen dan jongeren en jongvolwassenen.

In Nederland volgen we de ontwikkelingen op het gebied van sport en bewegen in de tijd met behulp van een set kernindicatoren. Op www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren staat steeds de meest recente informatie. Zo is bekend dat sommige groepen in de samenleving minder actief zijn. Dit zijn bijvoorbeeld mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond, alleenstaanden van 40 jaar of ouder, mensen jonger dan 65 jaar die arbeidsongeschikt zijn en mensen met een lichamelijke beperking. Een ander voorbeeld is de groep ouderen. Zij besteden minder tijd aan sport en bewegen dan jongeren en jongvolwassenen. We weten verder dat sport en bewegen samenhangt met sociaaleconomische status. Mensen met een lager opleidingsniveau sporten en bewegen minder dan mensen met een hoger opleidingsniveau. Jongeren uit gezinnen met een laag huishoudinkomen sporten en bewegen minder dan jongeren uit gezinnen met een hoog huishoudinkomen (Van Stam, 2021). Zo rapporteerde de GGD Haaglanden in 2014 dat 38% van de Haagse jongeren nooit sport. Dit percentage was hoger onder jongeren met een niet-Westerse migratieachtergrond (46%) en met name onder de Turkse jongeren (50%). Het percentage jongeren dat nooit sport was ook hoger in wijken met achterstand (42%) dan in wijken zonder achterstand (31%) (GGD Haaglanden, 2014). Ook zijn er regionale verschillen in sport- en beweeggedrag. Meestal wordt er in (sterk) stedelijk gebied meer aan sport en bewegen gedaan dan in niet-stedelijk gebied.

Monitoren van sport en bewegen in Nederland

Recent onderzoek in opdracht van NOC*NSF laat verder zien dat een kwart van de vmbo'ers op maximaal 1 dag per week 60 minuten beweegt (NOC*NSF, in press).

Ook op basis van de internationale studie ‘Health Behaviour in School-aged Children' (HBSC) blijkt dat vmbo-leerlingen achterblijven in sport- en beweeggedrag ten opzichte van andere groepen jongeren in het voortgezet onderwijs. In de HBSC-studie keek men bovendien naar sociale media en gamen. Gebruik van sociale media en tijd besteed aan gamen neemt af bij een hoger schoolniveau. Opmerkelijk: onder de vmbo-basis-leerlingen gaf 40% aan de hele dag door sociale media te gebruiken, tegenover 26% onder de vwo-leerlingen. En onder vwo-leerlingen gaf 4% aan tenminste 24 uur per week te gamen, tegenover 13% onder vmbo-basis-leerlingen (Stevens, 2018).

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019

*Deze cijfers worden doorgaans gerapporteerd o.b.v. van de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor. Hier is echter voor een afwijkende bron gekozen vanwege de mogelijkheid om uit te splitsen naar type onderwijs. Cijfers voor de totale groep wijken daardoor af van de cijfers die te vinden zijn op Sportenbewegenincijfers.nl. $ Inclusief Praktijkonderwijs.

Tabel 1.

In tabel 1 staan cijfers over 1) het voldoen aan de beweegrichtlijnen, 2) wekelijks sporten en 3) het aantal zituren op een gemiddelde dag in de week. Deze cijfers zijn uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen en schoolniveaus. Binnen het voortgezet onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen vmbo, havo en vwo. Het is duidelijk dat vmbo-leerlingen achterblijven in sport- en beweeggedrag ten opzichte van andere groepen jongeren in het voortgezet onderwijs. De verschillen tussen vmbo-, havo- en vwo-leerlingen zijn groter voor wekelijkse sportdeelname (daarbij gaat het om sporten ongeacht de organisatievorm) dan voor bewegen in brede zin. Wat ook duidelijk is: op alle schoolniveaus sporten en bewegen jongens meer dan meisjes. En wat is bekend over zitgedrag? Jongeren zitten relatief veel, vooral in het voortgezet onderwijs. We zien echter geen grote verschillen in de tijd die vmbo-, havo- en vwo-leerlingen zitten op een gemiddelde dag in de week. Vmbo-leerlingen lijken iets minder te zitten dan havo- en vwo-leerlingen. Ook lijken meisjes gemiddeld iets meer tijd zittend door te brengen dan jongens, ongeacht schoolniveau.

Voldoen aan de beweegrichtlijnen, wekelijkse sportdeelname en zitgedrag

Gekeken naar de verschillende activiteiten blijkt dat vmbo-leerlingen meer tijd besteden aan wandelen dan havo- en vwo-leerlingen. Vmbo-leerlingen besteden gemiddeld een half uur per week aan lopen van en naar school. Ze besteden gemiddeld 2 uur per week aan wandelen in de vrije tijd. Bij havo-leerlingen is dit respectievelijk 20 minuten en 1,5 uur, en bij vwo-leerlingen respectievelijk 10 minuten en 80 minuten. 

Hoe zit het met de verschillen tussen jongens en meisjes? Op het vmbo en vwo besteden meisjes meer tijd aan lopen van en naar school dan jongens; bij havo-leerlingen zijn geen verschillen. Op het vmbo zijn voor wandelen in de vrije tijd geen verschillen tussen jongens en meisjes, maar op de havo en het vwo besteden meisjes hier meer tijd aan dan jongens.

Voor fietsen van en naar school is het beeld omgekeerd vergeleken met wandelen. Vmbo-leerlingen besteden gemiddeld 4 uur en een kwartier aan fietsen naar school. Meisjes scoren hier hoger dan jongens. Bij havo-leerlingen is dit 4,5 uur en bij vwo-leerlingen 5 uur en een kwartier, waarbij jongens juist hoger scoren dan meisjes. Voor fietsen in de vrije tijd gaat het om 3 uur en een kwartier (vmbo), 4 uur en 10 minuten (havo) en 3,5 uur (vwo). Op het vmbo en de havo rapporteren meisjes meer tijd voor deze activiteit; op het vwo zijn het de jongens. 

Populaire activiteiten 

Ze besteden gemiddeld 2 uur per week aan wandelen

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019. 

Tabel 2. Aandeel van de wekelijkse sporters dat aan teamsporten doet en het aandeel dat individueel sport onder vmbo-, havo- en vwo-leerlingen. 

Figuur 1. Aandeel van de wekelijkse sporters dat respectievelijk 1, 2, of tenminste 3 sporten beoefent, uitgesplitst naar schoolniveau. Inclusief Praktijkonderwijs 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019. $ Inclusief Praktijkonderwijs 

Middelbare scholieren die wekelijks sporten doen iets vaker aan individuele sport dan aan teamsport (Tabel 2). Deze verschillen zijn het kleinst bij havo-leerlingen. Het aandeel individuele sporters is, ongeacht schoolniveau, hoger bij meisjes dan bij jongens. Voor teamsporten is het andersom. 

Ook de tijd die wordt besteed aan sporten ligt bij vmbo-leerlingen lager dan bij havo- en vwo-leerlingen. Vmbo-leerlingen besteden gemiddeld iets minder dan 4 uur per week aan sporten, en havo- en vwo-leerlingen gemiddeld bijna 5 uur. Op alle schoolniveaus besteden jongens meer tijd aan sporten dan meisjes. Sportende vmbo'ers beoefenen ook relatief vaak één sport en minder vaak twee of meer sporten (Figuur 1). Dit beeld komt duidelijker naar voren bij meisjes dan bij jongens. 

Sporten 

Via deze website zijn cijfers beschikbaar over wekelijks sporten in georganiseerd verband, lopen / fietsen op tenminste 5 dagen per week, sport en bewegen op tenminste 5 en op alle dagen van de week. De cijfers worden standaard gerapporteerd per GGD-regio, maar zijn ook beschikbaar voor de meeste Nederlandse gemeenten.


Uit de Gezondheidsmonitor Jeugd blijkt dat driekwart van de tweede- en vierdeklassers van het voortgezet onderwijs 1 dag per week of meer bij een club, vereniging of sportschool sport.NOC*NSF, 2020). 12 Dit komt overeen met de resultaten uit de Leefstijlmonitor (Tabel 1). Uit de registraties van ledenaantallen van sportverenigingen weten we dat clublidmaatschap sterk afneemt vanaf 14 jaar. In 2019 was 63% van de 10- tot en met 14-jarigen in Nederland lid van een sportvereniging. Voor de groep 15- tot en met 19-jarigen daalde dit percentage drastisch naar 44%, om vanaf de leeftijd van 30 jaar te stabiliseren rond de 20% (NOC*NSF, 2020).


Lidmaatschap vereniging 

Bron: Leefstijlmonitor – Aanvullende module Bewegen en Ongevallen, RIVM, VeiligheidNL in samenwerking met CBS, 2019. $ Inclusief Praktijkonderwijs 

Tabel 3 geeft de top 10 meest populaire sporten voor jongeren op het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar schoolniveau en gender. Voetbal en fitness zijn duidelijk favoriet bij jongeren op het voortgezet onderwijs. Opvallend: de vmbo-leerlingen zijn de enige groep waar kickboksen wel in de top 10 staat en hardlopen niet. De drie schoolniveaus kennen verder een vergelijkbare top 10, hoewel de posities van de verschillende sporten licht variëren. De populaire sporten verschillen wel tussen jongens en meisjes. In de top 10 van jongens staan, afhankelijk van het schoolniveau, sporten als kickboksen, gymnastiek, freerunning, basketbal, krachtsport / krachttraining, mountainbiken, wielrennen en judo. Voor meisjes gaat het om sporten als dansen, streetdance, ballet, paardrijden, turnen en volleybal. 

Tabel 3. Top 10 meest populaire sporten onder vmbo-, havo- en vwo-leerlingen. 

Top 10 populaire sporten

Ook de mate waarin de fysieke omgeving uitnodigt tot sporten en bewegen is belangrijk. Bovendien speelt de sociale veiligheid een belangrijke rol. Het is belangrijk dat de fysieke inrichting en vaste (speel)voorzieningen in de wijk veilig én uitdagend zijn ingericht en tegelijkertijd aansluiten op de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen (Van Gastel, 2014).

Onderzoek in opdracht van NOC*NSF laat zien dat vmbo’ers die weinig bewegen (NOC*NSF, 2021). 3 de positieve kanten van sport minder voelen. Ze sporten en bewegen minder vaak voor het plezier of de gezelligheid, of omdat het voldoening of een goed gevoel over zichzelf geeft. Ook wordt deze groep door zichzelf, hun ouders en hun omgeving niet gezien als sportief. Vmbo’ers die weinig bewegen, zitten minder vaak op een sport en zijn minder met gezondheid bezig, maar ervaren ook geen gezondheidsprobleem. Deze groep beweegt vaak samen met hun ouders; sporten doen ze vaker alleen. Ze hebben een (beperkte) wens om meer te bewegen en te sporten. Daarbij geven ze aan dat een sportmaatje mogelijk zal helpen (NOC*NSF, 2021).

Wat maakt nu dat jongeren meer of minder sporten en bewegen? Dat hangt samen met verschillende achterliggende factoren (determinanten). Dit zijn factoren binnen het individu, maar ook daarbuiten: vanuit de leef- en woonomstandigheden. Ook zijn er algemene maatschappelijke ontwikkelingen die invloed hebben op beweeggedrag (RIVM, 2021)

Motieven en belemmeringen