“Bijna alle kinderen willen bewegen en meedoen. Het is de taak van leerkrachten om kinderen die niet durven of kunnen, te zien en te begeleiden.”

“Maak het de sociale norm van je gezin dat je elke dag naar buiten gaat. En maak daar ook structureel ruimte voor in het dagschema van kinderen.”

‘Buitenspelen zou geen keuze moeten zijn’

Mirka Janssen is lector Bewegen in en om School aan de Hogeschool van Amsterdam. Sanne de Vries is lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving aan De Haagse Hogeschool. Samen reflecteren zij op buitenspelen – vroeger en nu, de balans tussen stimuleren en vrijlaten en de rol van ouders, gemeenten en onderwijs.

Mirka Janssen - Lector Bewegen in en om School aan de Hogeschool van Amsterdam

Sanne de Vries - Lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving aan De Haagse Hogeschool

Hoe tref je de goede balans tussen stimuleren en vrijlaten?

Mirka: “Het is wel degelijk heel belangrijk om buitenspelen actief te stimuleren. Je hoeft het wat en het hoe niet in te vullen voor kinderen – daar ligt de vrijheid. Maar dát je naar buiten gaat, moet je stimuleren. Maak het de sociale norm van je gezin dat je elke dag naar buiten gaat. En maak daar ook structureel ruimte voor in het dagschema van kinderen.”

En: vul het niet helemaal in, benadrukt Sanne. “Kinderen krijgen amper de kans om zich te vervelen en zelf iets te bedenken. Ze groeien nu op met spellen en activiteiten die helemaal uitgedacht en georganiseerd zijn. Toch merk ik dat als ze zich lang genoeg vervelen, na tien minuten echt wel zelf hun spel vinden. Maar je moet ze als ouders – en school – wel de kans geven om hun eigen creativiteit aan te boren en ze niet altijd willen vermaken.”

De ideale speelruimte

Wat is tot slot, de ideale speelplek? Sanne: “Ik wil dat woord ‘speelplek’ niet gebruiken. Ik heb het liever over ‘speelruimte’, want kinderen moeten overál kunnen buitenspelen. De ideale speelruimte is een combinatie van spelen, sporten, ontmoeten en groen. Multifunctioneel, waar meerdere kinderen hun ei kwijt kunnen. Het hoeft niet altijd super intensief te zijn. Spelen is ook: ontdekken, insecten zoeken en sociale gezelligheid.”

Mirka sluit zich daarbij aan: “En maak er ook een ontmoetingsplek voor volwassenen en jongeren van. Bij jongeren sluit een plek uit het zicht van volwassenen vaak goed aan. Feitelijk moet je voor alle leeftijden en alle soorten kinderen je aanbod op orde hebben.”

Bedenk het niet alleen

Waar kunnen beleidsmakers het beste beginnen als ze met beleid op buitenspelen aan de slag willen? Sanne: “Neem om te beginnen het perspectief van het kind mee. Vaak beginnen beleidsmakers met iets dat ze gehoord hebben in een andere gemeente, of school. Of ze beginnen vanuit een catalogus met materiaal. Beter is het om te werken vanuit een visie die je opstelt samen met kinderen en inwoners. Stel de vragen: ‘Wat wil je als organisatie betekenen in de ontwikkeling van kinderen? En wat willen de kinderen zelf?’”

Mirka: “Eens! Het begint bij een visie en bij een analyse van het huidige gebruik van de speelruimte. Betrek kinderen met en zonder beperking, maar ook jongeren – want voor hen is er helemaal weinig. Bekijk waar lokaal de knelpunten liggen. En verdiep je ook in bestaande aanpakken en interventies op buitenspelen en maak ze passend voor jouw lokale context.”

Anders kijken naar kinderen die minder actief zijn

Waar het volgens Mirka op neerkomt, is dat wij als volwassenen verantwoordelijk zijn voor een uitdagende speelomgeving en dat alle kinderen kunnen meedoen. Mirka: “Dat gaat over kennis, visie en handelingsvaardigheid. Maak buitenspelen onderdeel van je werkpraktijk. Zorg dat je op elke bso minstens een half uur per dag naar buiten gaat. Natuurlijk is het een uitdaging om iedereen te laten meedoen – ook de kinderen die niet meteen zin hebben. Laat ze zich gerust eerst even vervelen, want ze bedenken vanzelf iets. Maar buitenspelen zou geen keuze moeten zijn.”

Over dat ‘geen zin hebben om mee te doen’ wil Mirka nog iets anders kwijt. “We moeten anders leren kijken naar kinderen die langs de kant staan. Op het schoolplein bepaalt de sociale hiërarchie dat de vaardigste kinderen het spel bepalen. Minder vaardige kinderen staan aan de kant en krijgen te snel het stempel: die heeft minder belangstelling voor bewegen, maar bijvoorbeeld meer voor creativiteit. Dat is vaak onterecht en het heeft grote impact als je die twee beweegmomenten op de dag mist. Bijna alle kinderen willen bewegen en meedoen. Het is de taak van leerkrachten om kinderen die niet durven of kunnen, te zien en te begeleiden. Ook daarin zie je het dilemma stimuleren of vrij laten terug. Ik vind overigens dat hier landelijk beleid voor nodig is. Nu wordt het teveel aan de scholen overgelaten of en hoe ze beweegbeleid invullen. Maar daarmee creëer je juist kansenongelijkheid.”

Sanne gaat nog even verder over buitenspelen op het schoolplein. “We kunnen veel winnen door meer schoolpleinen ná schooltijd open te stellen. Daar hoeft niet altijd toezicht of begeleiding te zijn. En: al die regels – niet fietsen, niet rennen, niet met ballengooien – zijn ontzettend beperkend voor vrij buitenspelen.”

Kennis delen en toepassen

Beide lectoren zien dat de beschikbare kennis over buitenspelen nog niet altijd doorsijpelt naar beleidsmakers en uitvoerders. Mirka: “We missen nog een sluitend netwerk om alle kennis uit onderzoek te delen.” Waar uit zich dat dan in? “Veel scholen kiezen nu bijvoorbeeld voor een groen schoolplein: een trend vanuit de vergroeningsopgave en heel leuk voor jonge kinderen. Maar ik denk tegelijk: wat jammer dat er niet óók een harde ondergrond blijft op het schoolplein. Want dat hebben de oudere kinderen juist nodig om andere spellen te spelen. Die kennis over de behoeften van verschillende leeftijden wordt niet altijd meegenomen.”

Beleid en begeleiding

Wat is er buiten het gezin, vanuit de maatschappij concreet nodig om buitenspelen te stimuleren? Mirka: “Stimuleren doe je met elkaar: op school, op de opvang en op straat. In al die settings moet je op zijn minst beleid hebben op buitenspelen. Beleid dat strookt met onderzoek en kennis en dat rekening houdt met de verschillen tussen kinderen.”

Ze vult aan: “De tweede factor die bepalend is voor het succes, is toezicht of goede begeleiding op de speelplekken. Niet persé met dichtgetimmerde activiteiten waar je je voor moet aanmelden, maar gewoon structureel aanwezig zijn waar kinderen buitenspelen. Buitenspeelcoaches en buurtsportcoaches kunnen kinderen bijvoorbeeld helpen met materiaalkeuze, maar ook ter plekke spellen stimuleren. Ook mét deze begeleiding hebben kinderen nog steeds autonomie. Ze bepalen immers zelf waar ze spelen, met wie en waar ze wel en niet aan meedoen.” 

Sanne geeft aan dat er in eerste instantie voldoende tijd, maar ook ruimte moet zijn voor kinderen om te spelen. “Niet alleen speeltuinen en sportvelden, maar ook speelruimte: ruimte om spelen. Dat kan ook op een stoep zijn, op een plein, of in een park zonder speel- en sporttoestellen.”

Wat zie je nu bij je eigen kinderen?

Sanne heeft twee jongens van 11 en 15. “We woonden eerst in een woonerf met  een speeltuin voor het huis. Toen ze klein waren zagen ze het direct als daar kinderen speelden en gingen ze ook naar buiten. Nu wonen we in een straat waar je minder kinderen op straat ziet spelen. Dat spontane van gewoon de straat op gaan en volop speelkameraadjes vinden is minder vanzelfsprekend geworden. Jammer, want zien bewegen doet bewegen. Ze moeten nu meer moeite doen. Er wordt meer expliciet afgesproken om na school bij iemand of ergens te spelen. Gelukkig gaan ze nu als tieners nog wel naar ‘de kooi’ in het dorp (een voetbalkooi) of de voetbalvelden aan de rand van het dorp. En de jongste speelt het tv-programma Het Jachtseizoen na of Politie en Boefje, waar je elkaar achtervolgt door de wijk. Ook hebben we onlangs een basket op de oprit opgehangen om de drempel om naar buiten te gaan te verlagen.”

Mirka’s kinderen zijn iets jonger: drie jongens van 6, 8 en 10. “Naar buiten gaan zit diep in de gewoonten en waarden van ons gezin, dat doen we elke dag. We houden daar zelf enorm van en we hebben ook veel buitenruimte bij het huis, met een trampoline en een korfbalpaal. Ze bewegen ook veel op de buitenschoolse opvang (bso) en spelen ook wel in de wijk. 

Wie heeft er als kind nou niet buitengespeeld?

We vragen de lectoren om in hun eigen herinneringen te graven. “Ik vond buitenspelen heerlijk!”, begint Sanne. “Wij waren altijd buiten na school. Onze omgeving was niet heel inspirerend, maar dat maakte niet uit. We ontmoetten elkaar altijd op zo’n plein tussen de garageboxen achter de huizen. We speelden verstoppertje, stand in de mand met de bal, bouwden hutten rond elektriciteitshuisjes, of fietsen door de poortjes in de wijk. Ik speelde met mijn broers, hun vrienden, mijn vrienden, de buurkinderen… Alle leeftijden door elkaar. Je hoefde eigenlijk niks af te spreken, je belde gewoon ergens aan. En na het eten kwam iedereen vanzelf ook weer naar buiten om te spelen.”

Mirka: “Wat weet jij nog veel van vroeger! Ik ben vanaf 6 jaar opgegroeid in Amsterdam-Noord, dat was toen nog best dorps. Wij gingen na school terug naar het schoolplein om te spelen, of ik speelde in onze eigen tuin. Achter ons huis kwamen we via een klein bruggetje in een weiland, daar speelden we tussen de koeien. Omdat ik drie zussen heb, had ik altijd een speelkameraadje.”

Snel navigeren

9. In gesprek met Mirka Janssen en Sanne de Vries over buitenspelen 

Beleid en begeleiding

Wat is er buiten het gezin, vanuit de maatschappij concreet nodig om buitenspelen te stimuleren? Mirka: “Stimuleren doe je met elkaar: op school, op de opvang en op straat. In al die settings moet je op zijn minst beleid hebben op buitenspelen. Beleid dat strookt met onderzoek en kennis en dat rekening houdt met de verschillen tussen kinderen.”

Ze vult aan: “De tweede factor die bepalend is voor het succes, is toezicht of goede begeleiding op de speelplekken. Niet persé met dichtgetimmerde activiteiten waar je je voor moet aanmelden, maar gewoon structureel aanwezig zijn waar kinderen buitenspelen. Buitenspeelcoaches en buurtsportcoaches kunnen kinderen bijvoorbeeld helpen met materiaalkeuze, maar ook ter plekke spellen stimuleren. Ook mét deze begeleiding hebben kinderen nog steeds autonomie. Ze bepalen immers zelf waar ze spelen, met wie en waar ze wel en niet aan meedoen.” 

Sanne geeft aan dat er in eerste instantie voldoende tijd, maar ook ruimte moet zijn voor kinderen om te spelen. “Niet alleen speeltuinen en sportvelden, maar ook speelruimte: ruimte om spelen. Dat kan ook op een stoep zijn, op een plein, of in een park zonder speel- en sporttoestellen.”

Kennis delen en toepassen

Beide lectoren zien dat de beschikbare kennis over buitenspelen nog niet altijd doorsijpelt naar beleidsmakers en uitvoerders. Mirka: “We missen nog een sluitend netwerk om alle kennis uit onderzoek te delen.” Waar uit zich dat dan in? “Veel scholen kiezen nu bijvoorbeeld voor een groen schoolplein: een trend vanuit de vergroeningsopgave en heel leuk voor jonge kinderen. Maar ik denk tegelijk: wat jammer dat er niet óók een harde ondergrond blijft op het schoolplein. Want dat hebben de oudere kinderen juist nodig om andere spellen te spelen. Die kennis over de behoeften van verschillende leeftijden wordt niet altijd meegenomen.”

Anders kijken naar kinderen die minder actief zijn

Waar het volgens Mirka op neerkomt, is dat wij als volwassenen verantwoordelijk zijn voor een uitdagende speelomgeving en dat alle kinderen kunnen meedoen. Mirka: “Dat gaat over kennis, visie en handelingsvaardigheid. Maak buitenspelen onderdeel van je werkpraktijk. Zorg dat je op elke bso minstens een half uur per dag naar buiten gaat. Natuurlijk is het een uitdaging om iedereen te laten meedoen – ook de kinderen die niet meteen zin hebben. Laat ze zich gerust eerst even vervelen, want ze bedenken vanzelf iets. Maar buitenspelen zou geen keuze moeten zijn.”

Over dat ‘geen zin hebben om mee te doen’ wil Mirka nog iets anders kwijt. “We moeten anders leren kijken naar kinderen die langs de kant staan. Op het schoolplein bepaalt de sociale hiërarchie dat de vaardigste kinderen het spel bepalen. Minder vaardige kinderen staan aan de kant en krijgen te snel het stempel: die heeft minder belangstelling voor bewegen, maar bijvoorbeeld meer voor creativiteit. Dat is vaak onterecht en het heeft grote impact als je die twee beweegmomenten op de dag mist. Bijna alle kinderen willen bewegen en meedoen. Het is de taak van leerkrachten om kinderen die niet durven of kunnen, te zien en te begeleiden. Ook daarin zie je het dilemma stimuleren of vrij laten terug. Ik vind overigens dat hier landelijk beleid voor nodig is. Nu wordt het teveel aan de scholen overgelaten of en hoe ze beweegbeleid invullen. Maar daarmee creëer je juist kansenongelijkheid.”

Sanne gaat nog even verder over buitenspelen op het schoolplein. “We kunnen veel winnen door meer schoolpleinen ná schooltijd open te stellen. Daar hoeft niet altijd toezicht of begeleiding te zijn. En: al die regels – niet fietsen, niet rennen, niet met ballengooien – zijn ontzettend beperkend voor vrij buitenspelen.”

“Maak het de sociale norm van je gezin dat je elke dag naar buiten gaat. En maak daar ook structureel ruimte voor in het dagschema van kinderen.”

De ideale speelruimte

Wat is tot slot, de ideale speelplek? Sanne: “Ik wil dat woord ‘speelplek’ niet gebruiken. Ik heb het liever over ‘speelruimte’, want kinderen moeten overál kunnen buitenspelen. De ideale speelruimte is een combinatie van spelen, sporten, ontmoeten en groen. Multifunctioneel, waar meerdere kinderen hun ei kwijt kunnen. Het hoeft niet altijd super intensief te zijn. Spelen is ook: ontdekken, insecten zoeken en sociale gezelligheid.”

Mirka sluit zich daarbij aan: “En maak er ook een ontmoetingsplek voor volwassenen en jongeren van. Bij jongeren sluit een plek uit het zicht van volwassenen vaak goed aan. Feitelijk moet je voor alle leeftijden en alle soorten kinderen je aanbod op orde hebben.”

Bedenk het niet alleen

Waar kunnen beleidsmakers het beste beginnen als ze met beleid op buitenspelen aan de slag willen? Sanne: “Neem om te beginnen het perspectief van het kind mee. Vaak beginnen beleidsmakers met iets dat ze gehoord hebben in een andere gemeente, of school. Of ze beginnen vanuit een catalogus met materiaal. Beter is het om te werken vanuit een visie die je opstelt samen met kinderen en inwoners. Stel de vragen: ‘Wat wil je als organisatie betekenen in de ontwikkeling van kinderen? En wat willen de kinderen zelf?’”

Mirka: “Eens! Het begint bij een visie en bij een analyse van het huidige gebruik van de speelruimte. Betrek kinderen met en zonder beperking, maar ook jongeren – want voor hen is er helemaal weinig. Bekijk waar lokaal de knelpunten liggen. En verdiep je ook in bestaande aanpakken en interventies op buitenspelen en maak ze passend voor jouw lokale context.”

“Bijna alle kinderen willen bewegen en meedoen. Het is de taak van leerkrachten om kinderen die niet durven of kunnen, te zien en te begeleiden.”

Hoe tref je de goede balans tussen stimuleren en vrijlaten?

Mirka: “Het is wel degelijk heel belangrijk om buitenspelen actief te stimuleren. Je hoeft het wat en het hoe niet in te vullen voor kinderen – daar ligt de vrijheid. Maar dát je naar buiten gaat, moet je stimuleren. Maak het de sociale norm van je gezin dat je elke dag naar buiten gaat. En maak daar ook structureel ruimte voor in het dagschema van kinderen.”

En: vul het niet helemaal in, benadrukt Sanne. “Kinderen krijgen amper de kans om zich te vervelen en zelf iets te bedenken. Ze groeien nu op met spellen en activiteiten die helemaal uitgedacht en georganiseerd zijn. Toch merk ik dat als ze zich lang genoeg vervelen, na tien minuten echt wel zelf hun spel vinden. Maar je moet ze als ouders – en school – wel de kans geven om hun eigen creativiteit aan te boren en ze niet altijd willen vermaken.”

Wat zie je nu bij je eigen kinderen?

Sanne heeft twee jongens van 11 en 15. “We woonden eerst in een woonerf met  een speeltuin voor het huis. Toen ze klein waren zagen ze het direct als daar kinderen speelden en gingen ze ook naar buiten. Nu wonen we in een straat waar je minder kinderen op straat ziet spelen. Dat spontane van gewoon de straat op gaan en volop speelkameraadjes vinden is minder vanzelfsprekend geworden. Jammer, want zien bewegen doet bewegen. Ze moeten nu meer moeite doen. Er wordt meer expliciet afgesproken om na school bij iemand of ergens te spelen. Gelukkig gaan ze nu als tieners nog wel naar ‘de kooi’ in het dorp (een voetbalkooi) of de voetbalvelden aan de rand van het dorp. En de jongste speelt het tv-programma Het Jachtseizoen na of Politie en Boefje, waar je elkaar achtervolgt door de wijk. Ook hebben we onlangs een basket op de oprit opgehangen om de drempel om naar buiten te gaan te verlagen.”

Mirka’s kinderen zijn iets jonger: drie jongens van 6, 8 en 10. “Naar buiten gaan zit diep in de gewoonten en waarden van ons gezin, dat doen we elke dag. We houden daar zelf enorm van en we hebben ook veel buitenruimte bij het huis, met een trampoline en een korfbalpaal. Ze bewegen ook veel op de buitenschoolse opvang (bso) en spelen ook wel in de wijk. 

Sanne de Vries - Lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving aan De Haagse Hogeschool

Mirka Janssen - Lector Bewegen in en om School aan de Hogeschool van Amsterdam

Wie heeft er als kind nou niet buitengespeeld?

We vragen de lectoren om in hun eigen herinneringen te graven. “Ik vond buitenspelen heerlijk!”, begint Sanne. “Wij waren altijd buiten na school. Onze omgeving was niet heel inspirerend, maar dat maakte niet uit. We ontmoetten elkaar altijd op zo’n plein tussen de garageboxen achter de huizen. We speelden verstoppertje, stand in de mand met de bal, bouwden hutten rond elektriciteitshuisjes, of fietsen door de poortjes in de wijk. Ik speelde met mijn broers, hun vrienden, mijn vrienden, de buurkinderen… Alle leeftijden door elkaar. Je hoefde eigenlijk niks af te spreken, je belde gewoon ergens aan. En na het eten kwam iedereen vanzelf ook weer naar buiten om te spelen.”

Mirka: “Wat weet jij nog veel van vroeger! Ik ben vanaf 6 jaar opgegroeid in Amsterdam-Noord, dat was toen nog best dorps. Wij gingen na school terug naar het schoolplein om te spelen, of ik speelde in onze eigen tuin. Achter ons huis kwamen we via een klein bruggetje in een weiland, daar speelden we tussen de koeien. Omdat ik drie zussen heb, had ik altijd een speelkameraadje.”

‘Buitenspelen zou geen keuze moeten zijn’

Mirka Janssen is lector Bewegen in en om School aan de Hogeschool van Amsterdam. Sanne de Vries is lector Gezonde Leefstijl in een Stimulerende Omgeving aan De Haagse Hogeschool. Samen reflecteren zij op buitenspelen – vroeger en nu, de balans tussen stimuleren en vrijlaten en de rol van ouders, gemeenten en onderwijs.

Snel navigeren

9. In gesprek met Mirka Janssen en Sanne de Vries over buitenspelen